Gratis warm water en elektriciteit uit koeienmest

Honderdtal vlaamse melkveehouders werkt met monovergisters

Koeienmest omzetten in elektriciteit en warm water. Het gebeurt al bij zo’n honderd Vlaamse melkveehouders. De boer heeft als voordeel dat zijn elektriciteitsfactuur fors daalt. Het milieu heeft als voordeel dat het schadelijke broeikasgas methaan er wordt uitgehaald.

Van der Schoot in zijn melkveebedrijf: ‘Een keer per uur wordt de vloer schoon geschraapt en de verse mest verzameld voor de monovergister.’ Sebastian Steveniers

Veeteelt heeft geen goede naam als het gaat over klimaatverandering en de uitstoot van broeikasgassen. Vooral runderen produceren een grote hoeveelheid methaan, en dat is 23 keer schadelijker dan CO2. Maar boer Paul Van der Schoot van het melkveebedrijf ‘t Lekker Koeike in Oelegem wilde de negatieve effecten op het milieu beperken en tegelijk zijn hoge energiefactuur naar beneden halen.

‘Wij zijn een melkveebedrijf met 190 koeien en we verwerken zelf onze melk tot boter, kaas, yoghurt en ijs, producten die we zelf verkopen op de boerderij. Dat vergt veel elektriciteit’, vertelt Van der Schoot. ‘In 2013 bouwden we een nieuwe melkveestal en installeerden we ook meteen een biogascentrale, een zogenaamde monovergister. Onze stal heeft een gesloten stalvloer met rubberen loopstroken, dat is aangenaam voor de koeien. Een keer per uur wordt de vloer schoon geschraapt en de verse mest verzameld en naar de monovergister gestuurd, waar de mest wordt omgezet in energie. We hebben twee monovergisters, goed voor 90.000 kilowatt per jaar. Hiermee kan ik alle machines laten draaien, de stallen en de boerderij verwarmen en heb ik warm water. Na vijf tot zes jaar zal ik mijn investering hebben terugverdiend.’

Minder geurhinder

Goed voor de portemonnee van Van der Schoot, maar ook voor het milieu. De monovergister haalt het methaan, dat brandbaar is, uit de mest en zet het om in groene energie. Op die manier wordt een derde van de uitstoot van broeikasgassen van een melkveebedrijf vermeden. Bovendien daalt de geurhinder van het bedrijf. Het voordeel in vergelijking met de grote, al langer bestaande, biogasvergisters die eerder een slechte naam hebben, is dat hier geen voedsel, zoals mais of ander afval, moet worden toegevoegd, net doordat de mest meteen en dus vers naar de vergister gaat.

Van der Schoot ging voor de monovergister in zee met het jonge bedrijf Biolectric, dat de monovergisters vier jaar geleden ontwikkelde. Het bedrijf is ondertussen in negen landen actief. Zo’n honderd melkveehouders zetten in Vlaanderen al de stap. Financieel lijkt het interessant. ‘De kleinste vergisters zijn goed voor zo’n 60 melkkoeien, kosten 100.000 euro en zijn terugverdiend in vier à vijf jaar’, legt Jan Palmaers, een van de oprichters van Biolectric uit. ‘De wat grotere modellen, voor boerderijen met meer koeien, zijn duurder (maximum 230.000 euro) maar zelfs sneller terugverdiend. ‘De steeds duurder wordende elektriciteitsprijzen spelen in ons voordeel. De lage melkprijzen in ons nadeel, want dan hebben boeren weinig middelen om te investeren. Al betekenen lage melkprijzen ook dat je zoveel mogelijk kosten moet besparen.’

Kinderziekten

Na vier jaar stelt ook de Boerenbond vast dat de kinderziekten uit de monovergisters verdwenen zijn en dat de boeren die het hebben er zeer positief over zijn. De (forse) investering kan via de groenestroomcertificaten worden terugverdiend, maar misschien verdienen ze in het kader van ‘nieuwe energie’ nog wel een extra stimulans door de overheid. In Nederland werkt minister Kamp van Economische Zaken aan een innovatieregeling voor monovergisters om de investering aantrekkelijker te maken. Voor de productie van biogas kunnen veehouders daar nu al aanspraak maken op de Stimuleringsregeling Duurzame Energie. Het budget daarvan gaat volgend jaar van 3,5 miljard naar 8 miljard euro.

Een stimulans kan ook komen van de melkverwerkende industrie. Palmaers van Biolectric voert in Nederland gesprekken met Friesland Campina, in Vlaanderen met Milcobel en Danone. ‘Die bedrijven hebben in hun productieproces de CO²-uitstoot al beperkt. Nu komen ze tot dat deel van de keten (de boer) waar ze nog goed kunnen scoren, want een bijdrage leveren voor een gezond klimaat is altijd goed voor het imago.’